Arbeidscontracten met schijnzelfstandigen: niet omdat het kan, maar omdat het moet.

Mies Westerveld heeft in haar recente blog ‘Contracteren door en met zzp’ers niet omdat het kan, maar omdat het moet’ de nodige vraagtekens geplaatst bij het wetsvoorstel deregulering arbeidsrelaties.`Het wetsvoorstel is op dinsdag 2 februari door de eerste kamer aangenomen. De wet vervangt de VAR door (door de Belastingdienst geaccordeerde) modelcontracten. In deze blog zal ik beargumenteren waarom het afschaffen van de VAR een goede zaak is en behandel ik de fundamentele bezwaren die zijn verbonden aan het bieden van ‘teveel rechtszekerheid’ over de status van de arbeidsrelatie. Ten slotte geef ik aan op welke wijze in het nieuwe systeem van modelcontracten de rechtszekerheid zonder fundamentele bezwaren kan worden verbeterd.

Mies Westerveld en ik delen de voorliefde voor het onderwerp zzp’ ers. Ik deel ook haar constatering, dat er de nodige haken en ogen zitten aan de systematiek van de modelcontracten. Of – zoals zij in haar blog inpliceert – met de transitie naar modelcontracten primair is beoogd de rechtszekerheid betreffende de fiscale en socialeverzekeringsrechtelijke status van (vermeend) zzp’ers te vergroten, waag ik echter te betwijfelen. De ontwikkeling van een alternatief op de VAR was nodig omdat het binnen de VAR-systematiek kinderlijk eenvoudig was op oneigenlijke gronden buiten de verplichte loon- en premieheffingen te opereren. Binnen de huidige VAR-systematiek wordt een VAR-WUO afgegeven op basis van uitsluitend de inlichtingen van de aanvrager over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder wordt gewerkt. Ook wanneer een VAR-aanvraagformulier bewust onjuist is ingevuld en een VAR-WUO dus onterecht is afgegeven, kan een opdrachtgever daaraan de zekerheid ontlenen dat hij geen belastingen en premies hoeft in te houden op het loon van de opdrachtnemer. Bovendien leidde het werken met een VAR zonder meer tot het ontbreken van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Aangezien op de opdrachtgever van degene die met een VAR-WUO werkte geen enkele verantwoordelijkheid rust om de juistheid van de afgegeven VAR-WUO te controleren, kon zelfs de praktijk ontstaan dat opdrachtgevers bij het verstrekken van opdrachten de VAR-WUO als voorwaarde gaan stellen. Voor de VAR kon dus met recht de stelling: ‘niet omdat het kan, maar omdat het moet’ opgaan. De VAR maakt het daarom voor opdrachtgevers mogelijk om min of meer gelegitimeerd met ‘schijnzelfstandigen’ te opereren. De VAR biedt met andere woorden teveel rechtszekerheid.

Er zijn verschillende bezwaren verbonden aan het bieden van ‘teveel rechtszekerheid’. De praktijk dat ten onrechte VAR-WUO verklaringen worden afgegeven staat op gespannen voet met het op solidariteit gebaseerde verplichte stelsel van werknemersverzekeringen. Dankzij een breed draagvlak voor deze verzekeringen, hoeft niet te worden geselecteerd op individuele risico’s en kan voor iedere verzekerde een aanvaardbare premiestelling ontstaan. Als het mogelijk wordt dat personen die in feite werknemer zijn (al dan niet onder druk van een werkverschaffer) kunnen kiezen buiten de werknemersverzekeringen te opereren, levert dat een gevaar op voor de financierbaarheid van deze verzekeringen.[1] Voorts is te wijzen op negatieve gevolgen voor de overheidsfinanciën. De kwalificatie winst uit onderneming leidt dankzij de vele ondernemersfaciliteiten (zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling) tot een veel lagere belastingdruk dan de kwalificatie loon uit dienstbetrekking. Hierdoor vloeit minder geld in de schatkist.  Voor de ‘schijnzelfstandigen’ zelf  is het VAR-systeem overigens minder gunstig. Het werken met een VAR-WUO geeft slechts een indicatie van de duiding voor de inkomstenbelasting. Wanneer de feiten en omstandigheden afwijken van de gegevens op het aanvraagformulier, kan er aanleiding zijn de door de werkende genoten inkomsten niet als winst uit onderneming, maar als loon aan te merken. In een dergelijk geval mist de werkende zowel de gunstige fiscale  ondernemersfaciliteiten als de bescherming van de werknemersverzekeringen (Werkloosheidswet, Wet WIA). De kans dat schijnzelfstandigen met een controle door de Belastingdienst wordt geconfronteerd is overigens zeer beperkt. Uit een rapportage van de Belastingdienst kan worden opgemaakt, dat jaarlijks slechts 1500 werkenden met een VAR worden gecontroleerd, terwijl er in 2013 ruim 504 000 VAR-verklaringen in omloop waren.[2] Het werken met een VAR-WUO is ten slotte voor veel civiele rechters een belangrijke indicatie dat een werkende niet heeft bedoeld een arbeidsovereenkomst met een werkverschaffer aan te gaan. Daarom leidt de VAR-WUO in veel gevallen tot een totaal gebrek aan sociale bescherming.

Met de modelovereenkomsten is in wezen uitdrukkelijk beoogd minder rechtszekerheid te bieden. De modelovereenkomst biedt uitsluitend de garantie dat, zolang wordt gewerkt conform de voorwaarden in die overeenkomsten, geen loonheffingen en premies door de opdrachtgever verschuldigd zijn. Wanneer de belastingdienst constateert dat de werkzaamheden van de betrokkene ondanks de gebruikmaking van de modelovereenkomst als werknemer worden verricht, komt de werkende in de nieuwe systematiek mogelijk wel in aanmerking voor een Werkloosheids- of Arbeidsongeschiktheidsuitkering. In de VAR-systematiek staat zo’n werkende geheel met lege handen. De systematiek van de modelovereenkomsten vergemakkelijkt bovendien de handhaving door de belastingdienst, omdat de naheffingen loonbelasting en sociale premies volgens deze systematiek weer bij de opdrachtgever kunnen worden opgelegd en de controle bovendien weer bij de opdrachtgever in plaats van bij de individuele werkenden zal kunnen geschieden. Doordat opdrachtgevers betrokken kunnen zijn bij het opstellen van de modelovereenkomsten en bovendien altijd de financiële risico’s lopen als het werk in werkelijkheid in economische afhankelijkheid van de opdrachtgever geschiedt, worden opdrachtgevers weer actief betrokken bij de handhaving. Hiermee is het belangrijkste bezwaar dat aan de VAR-systematiek kleeft, namelijk dat min of meer gelegitimeerd met (evidente) schijnzelfstandigen kan worden gewerkt, in mijn ogen dus weggenomen.

Dan rijst vervolgens de vraag of het middel in het geval van de modelovereenkomsten niet erger is dan de kwaal. Mies Westerveld maakt zich naar mijn mening terecht af of het werken conform de in de modelovereenkomsten opgenomen voorwaarden altijd dwingend tot het ontbreken van een arbeidsovereenkomst leidt. Zo bestaat er een modelovereenkomst van opdracht, waarin een clausule is opgenomen over het ontbreken van de persoonlijke arbeidsverplichting.[3] In recente civiele uitspraken over vermeend zelfstandige pakketbezorgers die zich eveneens konden laten vervangen door personen met objectieve kwalificaties (rijbewijs, Verklaring omtrent het Gedrag, geslaagde rijtest) kostte het (zelfs) de civiele rechters weinig moeite dergelijke contractuele bedingen te passeren en te concluderen dat van vrije vervangbaarheid door een ander geen sprake was.[4]

Overigens zal niet alleen de burgerlijke rechter niet altijd genegen zijn de oren te laten hangen naar de opvatting van de belastingdienst over de fiscale en sociale-verzekeringsrechtelijke status van het werken met een goedgekeurd modelcontract. Mies Westerveld refereert in haar blog al naar de ruimte die de bestuursrechter heeft om een werkende die heeft gecontracteerd conform een goedgekeurde modelovereenkomst en een WIA-uitkering aanvraagt als werknemer (dus als verzekerd aan te merken). Omdat de werknemersverzekeringen verzekeringen van rechtswege zijn, zal het werken met (en conform) een modelcontract dat in wezen een arbeidsovereenkomst is, ook naar mijn mening niet afdoen aan de uitkeringsrechten die een werkende aan de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst kan ontlenen.[5] Omdat onder verschillende modelcontracten inderdaad een ‘juridische slappe bodem zit’, kan het zomaar gebeuren dat een werkende ondanks het modelcontract– bijvoorbeeld een muziekdocent – toch een werknemer is. Verder is ook de fiscale rechter die moet oordelen over de premie- en loonbelastingplicht vrij om een modelcontract naar de prullenbak te verwijzen. Dat kan voor wat betreft het oordeel over de loonbelasting- en premieplicht echter uitsluitend voor de toekomst, omdat de algemene beginselen van bestuur (vertrouwensbeginsel) zich verzetten tegen premie- en loonbelastingheffing met terugwerkende kracht. Het bovenstaande brengt mee, dat ook in gevallen waarin geen premies zijn afgedragen, toch aanspraken kunnen worden ontleend aan de verplichte werknemersverzekeringen. Ook hier treedt dus een zekere spanning op met het solidariteitskarakter van de werknemersverzekeringen. Naar mijn mening is het echter een goede zaak dat arbeidsverhoudingen die in werkelijkheid een arbeidsovereenkomst zijn, ook de bijbehorende sociale bescherming krijgen. We hebben immers niet voor niets een dwingendrechtelijke definitie van de arbeidsovereenkomst en verplichte werknemersverzekeringen van rechtswege. Dat het mogelijk is dat voor een beperkte groep werkenden geen premies zijn afgedragen, maar deze werkenden wel aanspraken aan de werknemersverzekeringen kunnen ontlenen, moeten we dan maar voor lief nemen.

Bovendien verdient nog aandacht het feit dat werkverschaffers uitsluitend zekerheid omtrent het ontbreken van premie- en loonbelastingplicht ontlenen voor zover conform het modelcontract wordt gewerkt. Is dat niet het geval , dan kunnen betrokkenen zoals gezegd geheel geen zekerheid aan het modelcontract ontlenen. Omdat werkverschaffers zelf de premielasten dragen indien niet conform de modelovereenkomsten wordt gewerkt, zullen zij in ieder geval een vinger aan de pols houden. Deaslniettemin rijst uiteraard de vraag hoe vaak het zal gaan voorkomen dat de Belastingdient zich bij een controle op het standpunt zal stellen dat niet conform de modelovereenkomst wordt gewerkt. Het is niet ondenkbaar dat het in de praktijkt lastig zal zijn de arbeidsverhouding altijd exact conform de (soms voor mererlei uitleg vatbare bepalingen uit het) modelcontract uit te voeren. Daardoor zal het in voorkomende gevallen niet ingewikkeld voor de Belastingdienst hoeven zijn te concluderen dat de uitvoering van de arbeidsverhouding niet in overeenstemming is met de modelovereenkomst. Hoeveel zekerheid opdrachtgevers van vermeend zelfstandigen aan de modelcontracten zullen ontlenen, zal naar mijn mening de facto vooral gaan afhangen van de mate waarin en de wijze waarop de Belastingdienst zal gaan handhaven. Voor de controle op de juiste naleving van de modelcontracten heeft de staatssecretaris extra handhavingscapaciteit toegezegd. Het is te hopen dat de Belastingdienst hier zorgvuldig mee omgaat en bona fide opdrachtgevers waar mogelijk buiten schot laat.

Ik deel de zorgen die Mies Westerveld uit over de voorbeeldwerking van in de modelovereenkomsten opgenomen werkende-onvriendelijke clausules. Hoewel de clausule betreffende de aansprakelijkheid voor schade door een werkende in het algemeen zal leiden tot het afsluiten van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen, is het gevaar niet ondenkbeeldig dat de goedgekeurde modelcontracten als standaard in bepaalde branches gaan werken. Opgemerkt moet echter worden, dat ook modelcontracten waarin eventueel onverkwikkelijke clausules zijn weggelaten, ook kunnen worden voorgelegd aan – en eventueel goedgekeurd door – de Belastingdienst. Mies Westerveld toont zich daarvan bewust door haar blog af te sluiten met de opmerking dat partijen, werkgeversorganisaties en belangenorganisaties van zelfstandigen terug naar de onderhandelingstafel moeten om deze wel buitengewoon ‘werkende-onvriendelijke’ clausule uit het contract te slopen. Verder dient niet te worden vergeten dat partijen niet verplicht zijn met de modelovereenkomsten te werken. In mijn ogen presenteren werkenden zich juist echt als ‘ een ondernemer’ als zij zelf een belangrijke vinger in de pap hebben over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder wordt gewerkt.

Uit het bovenstaande kan al worden opgemerkt, dat ik de analyse van Westerveld over de ‘juridisch slappe bodem’ van de modelcontraten deel. Een van de oorzaken van de ‘slappe bodem’ onder de modelcontracten is naar mijn mening de omstandigheid, dat deze contracten slechts de verhouding met de opdrachtgever regelen. Voor het bestaan van zelfstandg ondernemerschap – in wezen de belangrijkste voorwaarde voor het ontbreken van het werknemerschap – dient in het algemeen ruimer te worden gekeken dan alleen naar de individuele arbeidsverhouding. Een relevant aspect bij de beoordeling of sprake is van ondernemersrisico is bijvoorbeeld het aantal opdrachtgevers van betrokkene.[6] Wanneer omgekeerd sprake is van een grote mate van economische afhankelijkheid van een ander, zal het risico van werknemerschap groot zijn. De modelcontracten ondervangen dit niet. Naar mijn mening zou het daarom aanbeveling verdienen aanvullende algemene regels te formuleren betreffende het ontbreken van de (beperkte) rechtszekerheid die aan de modelontracten kan worden ontleend. De praktijk is ermee gediend als de criteria objectief zijn en eenvoudig door de werkverschaffer zelf beoordeeld kunnen worden. Relevante elementen zullen in mijn ogen in ieder geval moeten zijn het laten verrichten van werkzaamheden in (het verlengde van ) de uitoefening van een beroep of bedrijf van de werkverschaffer. Met name wanneer werkzaamheden worden verricht die voor de werkverschaffer wezenlijke bedrijfsarbeid is, dan wel in het verlengde liggen van de bedrijfsuitoefening van de werkverschaffer, ligt immers het werknemerschap op de loer. Verder zal ook het verrichten van werkzaamheden met een zekere omvang (bijvoorbeeld meer dan 24 uur per week) en duur (bijvoorbeeld langer dan 9 maanden) een belangrijke indicatie kunnen zijn dat sprake is van het verrichten van arbeid in economische afhankelijkheid van een ander.[7] De exacte formulering en invulling van de criteria verdient nog de nodige overdenking. Een dergelijk voorbehoud zou mijns inziens tegemoetkomen aan de behoefte aan zekerheid voor werkverschaffers en aan het verplichte karakter van de werknemersverzekeringen.

Wellicht gaat het voeren van dergelijk beleid de belastingdienst echter te ver. Wanneer echter zal blijken dat op grote schaal via modelcontracten met schijnzelfstandigen wordt gecontracteerd, is de wetgever weer aan zet. De ultieme oplossing zou wellicht zijn het in artikel 7:610 BW opnemen van een gelijkstellingsbepaling comform de hiervoor beschreven elementen. Civiele rechters zijn over het algemeen namelijk naar mijn mening (te) terughoudend in het toekennen van arbeidsrechtelijke bescherming aan personen die – uitsluitend op papier – aan alle (formele) kwalificaties van het zelfstandig ondernemerschap voldoen. Personen die een KvK-inschrijving en een VAR-verklaring hebben en bovendien facturen versturen aan de werkverschaffer, worden (nadat er een conflict met de werkverschaffer is gerezen en een gang naar de rechter is gemaakt) over het het algemeen niet als werknemer in de zin van artikel 7:610 BW aangemerkt.[8] Een dergelijke gelijkstellingsbepaling zou meebrengen dat aan de ‘schijnzelfstandigen’ pas echt de complete sociale bescherming toekomt die zij verdienen. Het bezwaar dat mogelijk ook (degenen die menen) echte zelfstandigen (te zijn) onder die gelijkstellingsbepaling vallen, neem ik voor lief. Ook binnen de arbeidsovereenkomst is er naar mijn mening voldoende ruimte om de werkzaamheden met een grote mate van vrijheid in te delen en uit te voeren. Dat de dwingendrechtelijke verplichtingen uit het arbeidscontract’ door veel werkgevers als ‘te zwaar’ worden gezien, is een andere (bredere en politiek gevoelige) kwestie. Hiervoor dient de wetgever – in nauw overleg met de polder – een rechtvaardige oplossing voor te verzinnen. De in de reactie op het IBO-rapport gesuggereerde overheveling van de loonkosten tijdens het tweede ziektejaar van de individuele werkgevers naar het collectief, zou mogelijk een goede eerste stap zijn.[9]

De huidige modelcontracten staan vooralsnog op gespannen voet met het credo: arbeidscontracten met schijnzelfstandigen: niet omdat het kan, maar omdat het moet. De bezwaren die kleven aan de modelcontracten zijn naar mijn mening echter minder fundamenteel dan die van de VAR. Bij het bestrijden van schijnzelfstandigheid is naar mijn mening niet alleen een zorgvuldige(r) beoordeling van de modelovereenkomsten en voldoende handhavingscapaciteit door de Belastingdienst nodig, maar dient daarnaast fundamenteel te worden bezien of het werknemersbegrip in Boek 7, titel 10 BW dient te worden uitgebreid met personen die arbeid verrichten in economische afhankelijkheid van een ander.

Mr. dr. L. (Lucy) van den Berg

universitair docent sociaal recht, VU

 

[1] Zie hierover; L. van den Berg, Tussen Feit en Fictie, Den Haag: BJU 2010, p. 24-25.

[2] TK 2013-2014, 31 066, nr. 200. Zie: verder: L. Van den Berg, Van Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) naar Beschikking geen loonheffingen (BGL), TRA 2014/103.

[3] De relevante bepaling luidt als volgt:

Het staat de Opdrachtnemer vrij zich bij de werkzaamheden te laten vervangen door een

ander. Opdrachtnemer meldt voorafgaand aan de vervanging aan Opdrachtgever wie de

werkzaamheden namens hem uitvoer(en)(t). Daarbij heeft opdrachtgever niet het recht de

vervanger(s) te weigeren, anders dan op grond van objectieve kwalificaties.

Opdrachtnemer en opdrachtgever formuleren voorafgaand aan het aanvaarden van de

opdracht, samen de objectieve kwalificaties waaraan Opdrachtnemer en de eventuele

vervanger(s) moet(en) voldoen. De objectieve kwalificaties worden als bijlage bij deze

overeenkomst gevoegd.‘

[4] Kantonrechter Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:152; Kantonrechter Haarlem 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232.

[5] Vgl. de oude CRvB-jurisprudentie daterend van voor de wettelijke introductie van de VAR over de afgifte van ‘buitenwettelijke zelfstandigheidsverklaringen’: CRvB 22 februari 2001, USZ 2001/134.

[6] Verder zal ook de vraag of er reële onderhandelingsvrijheid aan de kant van de werkende bestaat over de voorwaarden waaronder wordt gewerkt. De modelcontracten brengen hierin mogelijk een relevante beperking.

[7] In de regeling over de fictieve dienstbetrekkingen in de werknemersverzekeringswetten worden soms voor gelijkstelling ook eisen gesteld aan de duur en de omvang van de arbeidsverhouding, maar ook aan het daarmee te verdienen inkomen: te weten arbeid gedurende minimaal een maand, op twee dagen per week tegen 40% van het minumloon. Omdat voor gelijkstelling bovendien als eis het ontbreken van zelfstandig ondernemerschap geldt, neem ik de duur en omvang van de arbeid aanzienlijk ruimer.

[8] Vgl. Rechtbank Noord-Nederland 3 oktober 2010, ECLI:NL:RBNNE:2013:6064; Rechtbank Noord-Nederland 23 mei 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:2552 (krantenbezorger); Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5856; Gerechtshof Amsterdam 23 juni 2015 ECLI:NL:GHAMS:2015:2545.

[9] Aanbieding kabinetsreactie IBO-ZZP van 2 oktober 2015, nr. 2015-0000263520 .

 

Advertenties

2 gedachtes over “Arbeidscontracten met schijnzelfstandigen: niet omdat het kan, maar omdat het moet.

  1. Geachte mevrouw v.d. Berg,

    Goed artikel. maar wel enkele kritische kanttekeningen.
    “De praktijk dat ten onrechte VAR-WUO verklaringen worden afgegeven staat op gespannen voet met het op solidariteit gebaseerde verplichte stelsel van werknemersverzekeringen.”
    Dit is feitelijk onjuist, omdat de betreffende personen ook geen beroep kunnen doen op de betreffende uitkeringen. Deze stelling is slechts waar als de betreffende VAR-werkers dit bewust doen omdat ze in een lagere risico categorie zitten en UITSLUITEND daarom voor een VAR-relatie kiezen. M.i. is dat niet de werkelijkheid.

    “Ik deel de zorgen die Mies Westerveld uit over de voorbeeldwerking van in de modelovereenkomsten opgenomen werkende-onvriendelijke clausules. Hoewel de clausule betreffende de aansprakelijkheid voor schade door een werkende in het algemeen zal leiden tot het afsluiten van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen, is het gevaar niet ondenkbeeldig dat de goedgekeurde modelcontracten als standaard in bepaalde branches gaan werken.”
    Dit is een m.i. volkomen onzinnige redenering. Juist bij vrij ondernemerschap behoort dat de werknemer niet meer volledig gepamperd wordt en middels bijv. 7:658 en 7:661 feitelijk nooit aansprakelijk is voor schade door zijn eigen werkzaamheden en, erger, op grond van de jurisprudentie eigenlijk ook nooit verantwoordelijk kan worden gehouden voor disfunctioneren. M.i. is juist HET wezenlijke kenmerk voor zelfstandigheid, dat de werkgever te maken heeft met een zelfstandige, volwassen professional die ook financieel verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn eigen falen. Overigens zal ik, net als de meeste advies bureaus nu ook al doen, de passage over aansprakelijkheid gewoon overnemen, maar maximeren tot het betaalde honorarium. Ik zit daar (als interim manager) echt niet mee; als ik daar wel mee zou zitten, zou ik geen knip voor mijn neus waard zijn en het vertrouwen van een opdrachtgever gewoon niet waardig zijn!

    Like

  2. Deel II reactie:

    Vervolgens is natuurlijk de vraag waar dit alles in de praktijk toe zou moeten leiden.
    Als interim manager (en toevallig ook nog docent arbeidsrecht!) heb ik de modellen met bovengemiddelde belangstelling gelezen.
    Mijn conclusie is dat voor een interim manager en zijn opdrachtgevers de contracten ruim voldoende zekerheid bieden dat geen arbeidsovereenkomst tot stand komt als er een tamelijk afgebakende opdracht wordt uitgevoerd.

    Dit zal m.i. volledig anders zijn in de IT (welke sector m.i. een zeer grote pool van VAR-houders bevat) als bijvoorbeeld een programmeur of systeemontwerper worden ingehuurd voor de periode van 2 jaar (gebruikelijk voor een wat groter project). Laat staan als een postbezorger of schoonmaker ingehuurd wordt voor langdurige routine taken. Het inschakelen van een tussenbureau maakt daar m.i. niets uit, met dit verschil dat dan de intermediair de feitelijke werkgever wordt. Hoewel de intermediairs op dit moment dit anders willen doen voorkomen! Waarschijnlijk realiseren zij zich onvoldoende dat zij zelf onder het nieuwe regime voor deze categorieën werkenden gewoon als werkgever zullen worden aangemerkt

    Ik vermoed dat daar de commotie van ZZP-NL en ZZP-ers over gaat. Het zou interessant zijn als u zich over dergelijke praktische situaties zou uitlaten. Ik denk dat die commotie terecht is, in zoverre dat voor hen de nieuwe situatie gewoon tot een arbeidsovereenkomst zal leiden en de “sluiproute” van de VAR ten einde is gekomen. Ik ben met u eens, dat dat op zich een goede zaak is, omdat het nu wel erg makkelijk was.

    Wat ik geen goede zaak vind, is dat professionals, zoals die programmeur, ontwerper of projectleider, onder het nieuwe regime niet meer in staat zullen zijn om zich eenvoudig als zelfstandige te verhuren. Het gaat mij er dus niet om of de juridische details nou wel of niet goed zijn; het gaat mij er om dat de in de arbeidsmarkt benodigde flexibiliteit door ons kabinet steeds verder ingeperkt wordt, terwijl in die markt de behoefte aan flexibiliteit steeds groter lijkt te worden. En niet alleen aan de zijde van werkgevers, maar ook bij de werkenden!

    Ik ben heel benieuwd naar uw reactie.

    Ir. Jan v.d. Zanden, interim manager, docent vele management en arbeidsrecht vakken

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s