Het basisinkomen: een kwestie van argumenteren en experimenteren

De zomer is een periode waarin we graag mijmeren over een betere wereld met meer tijd en ruimte voor de dingen die we echt de moeite waard vinden. Een basisinkomen van pakweg maandelijks €1000,- zou hier allicht een handje bij helpen, op voorwaarde dat we niet al vastgeketend zitten aan een torenhoge hypotheek en een bestedingspatroon waaraan wijzelf of anders onze gezinsleden zeer gehecht zijn. In onze zomerse dagdromen kunnen we ons troosten met de gedachte dat deze transitieperikelen na invoering van het basisinkomen voor de nieuwe generatie van minder betekenis zullen zijn. Zij zal immers haar levensplanning afstemmen op het maandelijkse bedrag aan ‘gratis geld’. Maar om onze dromen werkelijkheid te laten worden, zullen we eerst anderen moeten overtuigen van de kracht van het basisinkomen. Waarom zouden we het systeem van sociale zekerheid zoals we dat in Nederland al decennialang kennen en dat nog steeds breed gesteund wordt, inruilen voor een gedachtespinsel waarvan niemand weet hoe het zal gaan werken? Het antwoord hierop is simpel: het is een kwestie van argumenteren en experimenteren. In deze bijdrage besteed ik aandacht aan beide elementen, waarbij het accent zal liggen op de argumentatie rond het basisinkomen.

Onenigheid in discussies rond het basisinkomen betekent lang niet altijd dat mensen het fundamenteel met elkaar oneens zijn. Soms worden appels met peren vergeleken. Ter illustratie: terwijl een voorstander van het universeel basisinkomen beweert dat een universeel recht op het basisinkomen moet worden ingevoerd omdat daarmee het ideaal van individuele vrijheid wordt gediend (universeel moreel argument), wordt hij of zij van repliek gediend door een ander die meent dat de invoering van het basisinkomen een negatief effect zal hebben op de arbeidsparticipatie (pragmatisch argument).

De praktische filosofie laat zien dat het niveau van de discussie kan worden verbeterd wanneer we de niveaus van argumentatie op een systematische wijze onderscheiden. Argumenten kunnen zich bijvoorbeeld bevinden op het:

  • Universele morele niveau: wat zijn de minimale eisen van rechtvaardigheid of wat zijn de basale grondrechten die voor iedereen zouden moeten gelden?
  • Ethisch politieke niveau: welke doelen vinden wij als samenleving nastrevenswaardig?
  • Pragmatische niveau: in hoeverre draagt het basisinkomen bij aan praktische problemen waarvan wij vinden dat ze opgelost moeten worden?
  • Realistische niveau: is een basisinkomen financieel haalbaar? Op dit laatste argumentatieniveau kijken we dus niet – zoals bij de eerste drie argumentatieniveaus naar de vraag hoe een samenleving er uit zou moeten zien, maar onderzoeken we wat haalbaar, of wat realistisch is: we gaan van ‘ought to’ naar ‘can’.

Laten we in de eerste plaats kijken naar een universele morele argumentatie voor een basisinkomen. Een belangrijke bron van een dergelijke argumentatie is de universele declaratie van mensenrechten van de VN. Daarnaast kunnen we denken aan filosofische theorieën van rechtvaardigheid. Een probleem van een universele morele argumentatie is evenwel dat niet duidelijk is wat algemeen aanvaarde universele morele normen zijn. Een contextuele benadering kan daarvoor een oplossing bieden. Gezien de vormgeving van Nederlandse instituties, zoals het kiesrecht, het belastingrecht en het socialezekerheidsrecht, ligt het bijvoorbeeld voor de hand om ten behoeve van een universele morele argumentatie te kijken naar egalitaire liberale rechtvaardigheidstheorieën die gebaseerd zijn op de principes van vrijheid en gelijkheid. Daarmee hebben we overigens nog geen pasklaar antwoord op de vraag of we op grond van universele morele argumenten een basisinkomen moeten aanvaarden. Binnen deze theorie van grondlegger John Rawls bestaan namelijk verschillende stromingen. Terwijl een universeel basisinkomen bijvoorbeeld zal worden verworpen door zogenaamde luck egalitiarians die veel belang hechten aan de individuele verantwoordelijkheid voor het verwerven van een inkomen, zal op grond van een meer libertijnse interpretatie van het egalitair liberalisme, een universeel basisinkomen wel degelijk verdedigbaar zijn. De aanhangers van deze laatste stroming menen immers dat sociale rechten bovenal ten dienste moet staan van de vergroting van individuele vrijheid.

Een tweede niveau van redeneren betreft de ethisch politieke argumentatie. Anders dan universele morele argumenten zijn ethisch politieke argumenten exclusief verbonden met de doeleinden van een bepaalde gemeenschap. Een actueel ethisch politiek argument tegen het basisinkomen is dat een dergelijk systeem te individualistisch is waardoor de onderlinge solidariteit en de ‘participatiesamenleving’ onder druk komen te staan. Andere ethisch politieke argumenten die zich tegen de invoering van het basisinkomen keren, verwijzen naar een waarde als ‘wederkerigheid’. In het huidige politieke discours wordt bijvoorbeeld betoogd dat het niet zo kan zijn dat je iets krijgt van de samenleving zonder dat je er iets voor terug doet. Juist door iets terug te doen voor de gemeenschap wordt het lidmaatschap van die gemeenschap bevestigd.

Een derde niveau van redeneren betreft de pragmatische argumentatie. Hierbij gaat het om argumenten waarmee we op een rationele manier iets proberen te doen aan situaties die wij als problematisch definiëren. De vraag kan bijvoorbeeld gesteld worden in hoeverre het basisinkomen iets doet aan het probleem van werkloosheid en armoede. Op dit niveau van redeneren is in het verleden naar voren gebracht dat mensen lui worden van een basisinkomen; dat het de arbeidsparticipatie omlaag brengt; en dat een basisinkomen de armoede doet toenemen omdat mensen geen prikkel ervaren om te werken.

Een vierde niveau van redeneren betreft de realistische argumentatie. Focus is hier de haalbaarheid van een bepaalde oplossing. Daarbij kan je in de eerste plaats denken aan de betaalbaarheid van het basisinkomen. Een andere realistisch argument verwijst naar de spanning tussen, enerzijds, de invoering van het basisinkomen binnen de grenzen van de natiestaat en, anderzijds, de toenemende Europeanisering en globalisering van die samenleving. In hoeverre is het bijvoorbeeld realistisch om een basisinkomen in te voeren dat slechts is voorbehouden aan nationale burgers, terwijl het vrijverkeer van werknemers binnen de Europese Unie en de onrusten buiten Europa garant staan voor een constante instroom van ‘niet-burgers’? Het zal duidelijk zijn dat dit probleem ook raakt aan ethisch politieke debatten over solidariteit: behoeft een burger slechts solidair te zijn met zijn landgenoten of strekt die solidariteit zich uit tot buiten de landsgrenzen?

Op basis van de hierboven besproken argumenten zouden we kunnen concluderen dat, mocht al aan de hand van argumenten op het eerste universeel moreel niveau een basisinkomen verdedigd worden, de realistische, de ethisch politieke en de pragmatische argumentaties hierbij grote vraagtekens plaatsen.  Moeten we ons er dan maar bij neerleggen dat een universeel recht op het basisinkomen geen goed idee is en dat we met iets beters moeten komen? Ik zou zeggen van niet en dat zal ik uitleggen. In de eerste plaats zijn recent nieuwe realistische argumenten aangedragen. Econoom Marcel Canoy van Ecorys kwam medio 2014 met berekeningen waaruit bleek dat het mogelijk is om in Nederland een basisinkomen van €700 per maand in te voeren. Rutger Bregman heeft verder een aantal pragmatische argumenten voor het basisinkomen opnieuw onder de aandacht gebracht. Zo doet Bregman in zijn boek ‘Gratis geld’ verslag van experimenten en onderzoeken waaruit blijkt dat een basisinkomen een positieve bijdrage levert aan de participatie van mensen in zowel onbetaald als betaald werk; dat het mensen uit de armoede haalt; en dat het bijdraagt aan de verhoging van het algemene welzijn. Een nieuw pragmatisch argument dat Bregman voor het voetlicht brengt is dat het aantal beschikbare banen aan het afnemen is door de toenemende robotisering van de maatschappij. Tijdens het ‘Mies expertexperiment’ in november 2014 in Groningen waarvan ik deel mocht uitmaken, passeerden nog andere ethisch politieke en pragmatische argumenten de revue. Zo zou een universeel basisinkomen het ontstaan stimuleren van nieuwe creatieve broedplaatsen en collectieve gemeenschappen waar mensen op vrijwillige basis zorg dragen voor elkaar.

De discussie over het basisinkomen in Nederland heeft zich de laatste tijd, mede door toedoen van de cijfers die zijn gepresenteerd door Marcel Canoy, het boek van Rutger Bregman en de MIES experimenten, toegespitst op realistische en pragmatische argumenten. Dit is begrijpelijk en het is wellicht aan te raden deze weg te vervolgen. Aan het slot van deze bijdrage zal ik daar op terugkomen. De keerzijde is echter dat we andere belangrijke argumenten die pleiten vóór het basisinkomen uit het oog dreigen te verliezen. Ik doel hier op morele argumenten die naar mijn mening het fundament zouden moeten vormen van het nieuwe socialezekerheidsrecht. Mijn stelling is dat wanneer we de feitelijke omstandigheden in de niet-ideale samenleving als uitgangspunt nemen voor onze universele morele argumentatie, we niet kunnen ontkomen aan een pleidooi voor het basisinkomen. Ik denk hierbij met name aan ontwikkelingen als de flexibilisering en de precarisering van de arbeidsmarkt als gevolg waarvan steeds meer mensen zich in de zogenaamde proletarische conditie bevinden. Wat bedoel ik hiermee? In de eerste plaats gaat het hierbij niet alleen om een leven in armoede, maar om een leven dat gereduceerd is tot enkel werk, onder slechte omstandigheden: de ervaring van verpaupering in haar puurste vorm. In de tweede plaats is van belang dat we ons realiseren dat de proletariër niet alleen arm is, hij of zij is ook onzeker, kwetsbaar en afhankelijk van anderen zoals steeds wisselende werkgevers. Als gevolg hiervan ligt exploitatie van de proletariër voortdurend op de loer. Dit geldt overigens ook voor de bijstandsgerechtigde die in arbeidstrajecten wordt geplaatst, zonder reëel uitzicht op (vast) werk. Hij of zij is extra kwetsbaar voor machtsmisbruik. De bijstand is immers het laatste vangnet, er is geen exit. Een derde kenmerk van de proletarische conditie is het gemis aan kansen tot zelf-realisatie in het werk en buiten het werk door gebrek aan tijd, zorgen en uitputting.

Politiek theoreticus Stuart White stelt dat Rawls’ principes van rechtvaardigheid een tijdelijk basisinkomen vereisen, zolang de instituties geen einde hebben gemaakt aan deze proletarische conditie. Hiermee kunnen mensen in ieder geval tijdelijk ontsnappen aan hun misère en verkrijgen ze de vrije keuze om hun leven in te richten zoals zij dat willen. Let wel, White verdedigt een tijdelijk basisinkomen. Een permanent basisinkomen zou volgens hem te veel afbreuk doen aan het wederkerigheidsprincipe (ethisch politieke argument). Realistische bezwaren ziet hij niet, aangezien een dergelijk systeem gefinancierd kan worden door hogere erfbelasting. Binnen het Rawlsiaanse gedachtegoed is de verkrijging van een erfenis namelijk – net als talenten – niet verdiend is en komt een erfenis om die reden in aanmerking voor herverdeling.

White’s redenering stuit naar mijn mening om pragmatische en morele redenen toch op enige bezwaren. Een tijdelijk basisinkomen is bijvoorbeeld voor mensen met de minste talenten en de meeste pech in een situatie van verdergaande precarisering van de arbeidsmarkt, slechts een zeer tijdelijke pleister op de wond. Juist vanuit de wens om te ontsnappen uit de proletarische conditie zou ik voorstander zijn van een universeel onbeperkt basisinkomen. Deze dient niet te hoog te zijn. Het is bijvoorbeeld verdedigbaar om de hoogte van het basisinkomen iets onder het bestaansminimum vast te stellen waardoor men genoodzaakt is om een dag per week aanvullend inkomen te verwerven. Nadeel hiervan is dat een (minimaal) aanvullend systeem overeind moet blijven voor mensen die niet kunnen werken, bijvoorbeeld door een arbeidshandicap. Het morele uitgangspunt –  de ontsnapping aan de proletarisch conditie – blijft evenwel overeind staan. Bovendien zou een dergelijke invulling van het basisinkomen tegemoet komen aan een aantal ethisch politieke, realistische en zelfs pragmatische bezwaren.

Een mogelijk onbedoeld – maar gezien het morele uitgangspunt niet ongewenst – gevolg van de invoering van het basisinkomen is een wijziging van de prijs van de arbeid. Het is bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat freelancers in de creatieve sector minder gaan verdienen. Zij zullen namelijk moeten concurreren met meer mensen die het zich, dankzij het basisinkomen, kunnen permitteren om ook ‘leuk werk’ te gaan doen. Aan de andere kant zullen werknemers in minder aantrekkelijke banen, zoals bepaalde ongeschoolde banen in de agrarische of industriële sector, in staat zijn om te onderhandelen over hogere lonen nu zij niet meer (geheel) afhankelijk zijn van de werkgever.

Rest de belangrijke vraag: hoe kunnen deze ideeën werkelijkheid worden? Uit mijn promotieonderzoek uit 2012 naar de opkomst van het levensloopdenken in de sociale zekerheid komen twee elementen naar voren die van belang zijn bij het realiseren van verandering. In de eerste plaats heeft verandering meer kans van slagen wanneer de ideeën zich op een zodanig abstractieniveau bevinden dat mensen van verschillende politieke kleur er als het ware hun eigen verhaal in kunnen lezen. In het licht hiervan is het aanbevelingswaardig om een ander woord te verzinnen voor ‘basisinkomen’. Dit woord wordt naar mijn mening te veel geassocieerd met linkse politiek, terwijl het bij uitstek (eveneens) bij rechtse politiek zou passen.  In de tweede plaats liet het onderzoek zien dat het levensloopidee relatief lang stand kon houden doordat dit idee voor een belangrijk deel werd verwoord in termen die pasten binnen het opkomende neoliberale discours, zoals als ‘menselijk kapitaal’ en ‘nieuwe risico’s’. Het is naar mijn mening verstandig om de argumentatie vóór het basisinkomen eveneens (mede) binnen dit discours te formuleren. Rutger Bregman vroeg zich af hoe het kon dat de neoliberale draad gewoon weer is opgepakt na de ernstige financiële crisis in 2008. Dit kwam volgens hem vooral door de afwezigheid van grote nieuwe ideeën zoals bijvoorbeeld het idee van het basisinkomen. Ik ben wat pessimistischer. Natuurlijk, er was geen uitgewerkt alternatief op het moment van de crisis, maar het neoliberale economische discours is de laatste decennia zo krachtig geworden dat het idee van een universeel basisinkomen alleen dan voldoende politieke steun zal verwerven wanneer het wordt vertolkt in termen van het dominante neoliberale economische discours, zoals bij het levensloopidee het geval was.

Wat kunnen we hieruit leren voor een argumentatie vóór het basisinkomen? Duidelijk is dat, ondanks de kracht van morele argumenten, het accent gelegd zal moeten worden op pragmatische argumenten die laten zien dat het voorgestelde systeem efficiënter is dan het huidige systeem. Alleen op die manier zal het mogelijk zijn om een brede steun voor een basisinkomen te genereren. De voorstanders dienen bijvoorbeeld aan te tonen dat een universeel basisinkomen de mens meer prikkelt tot het ondernemen van economische activiteiten dan het huidige systeem van sociale zekerheid, waardoor het kostbare basisinkomen zichzelf uiteindelijk terugverdient. Om echt te overtuigen is het aan te bevelen experimenten te organiseren. Een aantal gemeenten hebben een experiment aangekondigd en ook op nationaal niveau – in Finland – wordt gedebatteerd over een experiment. Ik heb echter niet de indruk dat deze experimenten op een wetenschappelijk verantwoorde wijze uitgevoerd en gemonitored gaan worden en dat is een belangrijk gemis.

Ter afsluiting, een belangrijk argument tegen een universeel basisinkomen blijft het realistische argument dat Nederland niet geïsoleerd kan worden beschouwd van de rest van Europa of zelfs de wereld. Een wereld basisinkomen zou het meest ideaal zijn, maar zolang die utopie nog een te ver van mijn bed show is, zouden we in ieder geval aan de hand van experimenten kunnen beoordelen wat nu toch precies die ‘verfoeide’ aanzuigende werking van een basisinkomen inhoudt.

Over de auteur: Anja Eleveld is als postdoc onderzoeker en docent verbonden aan de Vrije  Universiteit                                                                                                                             anja2

 

 

 

Advertenties

12 gedachtes over “Het basisinkomen: een kwestie van argumenteren en experimenteren

    • Het doel van mijn blog was niet om alle argumenten voor en tegen het basisinkomen uitputtend te behandelen. Dat is ook niet mogelijk lijkt me. Wat betreft het ethische politieke argument van wederkerigheid, geldt dat er veel vormen denkbaar zijn om aan het wederkerigheids vereiste te voldoen. Het hoeft zich niet te beperken tot een door de staat opgelegde verplichting. In mijn blog wijs ik bijvoorbeeld op het ontstaan van nieuwe gemeenschappen waar mensen op vrijwillige basis zorg dragen voor elkaar. De genoemde politiek filosofen hebben zich ook over het wederkerigheids vereiste gebogen. Stuart White hecht veel belang aan de vereiste van wederkerigheid, maar zelfs hij meent dat een burger wiens bijdrage aan de gemeenschap is beperkt tot de opvoeding en verzorging van zijn eigen kinderen al voldoet aan dit vereiste. John Rawls’ opvatting van de maatschappij als samenwerkingsverband impliceert verder dat het wederkerigheidsprincipe niet zozeer moet worden begrepen als een verplichte tegenprestatie die mensen met een bijstandsuitkering moeten leveren in ruil voor hun ‘niet verdiende’ aandeel in het sociale product; het wederkerigheidsprincipe is al verankerd in de maatschappij als samenwerkingsverband. Zo zijn er nog meer opvattingen van het wederkerigheids vereiste denkbaar.

      Like

    • Veel dank voor uw opmerkingen, dit geeft mij de gelegenheid om mijn eigen positie te verhelderen. Het klopt dat de door mij onderscheiden niveaus van argumentatie berusten op een levensbeschouwing die wordt beheerst door ‘neutraliteit’ en ‘objectiviteit’. Ik heb gekozen voor dit door Jürgen Habermas geïnspireerd rationeel argumentatiemodel omdat dit model aansluit bij het dominante discours in onze samenleving. Door het basisinkomen op die manier te benaderen tracht ik het recht op een universeel basisinkomen onder de aandacht te brengen en te situeren binnen dat discours. Dit wil overigens niet zeggen dat ik vind dat ‘het politieke’ gereduceerd kan of moet worden tot rationele argumentatie. Zie hierover ook mijn proefschrift waarin ik laat zien hoe een basisinkomen verdedigd kan worden binnen het poststructuralistische denken. Uw laatste opmerking dat ‘ieder wezen een onvervreemdbaar recht heeft op zijn/haar deel van de opbrengsten van de aarde’ is overigens een belangrijk universeel moreel argument die binnen de libertijnse politieke filosofie naar voren is gebracht ter verdediging van het basisinkomen.

      Like

  1. Het is een fijn, helder verhaal, Anja. Ik heb het met genoegen gelezen. Ik vind het verfrissend om te lezen dat iemand anders ook het onderscheid maakt naar de diverse niveaus waarop de argumenten gelden die te berde worden gebracht. Ik ervaar het veelal ontbreken van dat onderscheid als een gemis in de discussies, debatten en uitspraken rond het basisinkomen.

    Vanuit mijn perspectief heb ik echter een paar dingen die ik zelf anders aanpak. Hoe kan het ook anders, zouden we met elkaar kunnen zeggen. Het feit dat elk mens het anders aanpakt, een andere werkelijkheid beleeft, is exact het punt wat ik wil maken. Mensen leven en handelen vanuit hun levensvisie. Ze zijn zich dat echter zelden bewust en volgens mij overkomt het jou ook. Mijn kritiek komt voort uit mijn levensvisie waarbij ik geloof in openheid, helderheid, echtheid/authenticiteit, verbondenheid en Eénheid. Naast nog een heleboel andere dingen.

    Het verhaal rond waarom mensen alleen kunnen leven vanuit hun levensbeschouwing ga ik laten rusten. Ik ga gelijk door. Jij haalt, stilzwijgend, op zich logisch redenerend, een (deel van een) levensvisie binnen. Voor mij ligt de afslag op het punt waarbij jij een ethisch politiek niveau onderscheid, een pragmatisch en uiteindelijk een realistisch niveau. Daarin hanteer je geen levensbeschouwelijke helderheid. Hier haal je gedachtengoed binnen onder de vlag van neutraliteit, objectiviteit. Ethiek is een bepaald werkwijze. Politiek is een bepaalde werkwijze. Een ethische uitkomst heeft ook politieke aspecten. Binnen een politiek stroming zoals oligarchie, democratie, dictatorschap kun je ethische afwegingen maken. Deze laatste afwegingen zijn van een ethisch politiek niveau. Pragmatisme is een levensvisie. Realistisch is een klassificatie van een ethische uitkomst. Door de levensbeschouwelijkheid, het universeel morele niveau onvoldoende helderheid te geven, kruipen ze onder de overige niveaus. Het gevolg is dat je argumentatie logisch is voor zolang je binnen jouw gekozen levensbeschouwing blijft. Waar we dan met elkaar mank gaan. Wij hebben elkaar nodig om helder, open te spreken over wat maak jij, ik, iedereen mee in het leven van jou, mij, ieder ander. Want ieders maag wil echt eten, ons lichaam echte voeding, die de stofwisseling van ieders lichaam harmonieert. Hoe gaan jij, ik, samen met alle anderen met elkaar zorgen dan wij met elkaar in vredige, vreugdevolle vrijheid van het leven kunnen genieten. Concreet. Praktisch. Wanneer jij schrijft dat we op pragmatische argumenten moeten laten zien dat het basisinkomen kan worden terugverdient, dan blijft het geloof in ‘je leven moet je verdienen’ buiten beschouwing. Wanneer je zegt dat het realistische argument dat Nederland geen eiland kan zijn de basis onder de noodzaak tot experimenteren is dan blijft je geloof in ‘iedereen moet de kudde volgen’ buiten beschouwing. En daar wil ik het nu zo graag over hebben. Over: “Waar geloof jij in?”. Ik geloof dat jij, ik samen met alle andere mensen in staat zijn om voor alle levende wezens op deze aarde het mogelijk te maken om vanuit vredige, vreugdevolle vrijheid elke dag opnieuw te kunnen genieten van ons gezamelijk welzijn, onze gezamelijke welvaart en ons gezamelijk welbevinden. Ik geloof dat omdat ik geloof dat ik, jij en elk ander levend wezen het Recht van Bestaan heeft. Op basis waarvan ieder wezen een onvervreemdbaar recht heeft op zijn/haar deel van de opbrengsten van de aarde. Die ons overigens zonder enige vergoeding of tegenprestatie ter beschikking staan. Vanuit dat oogpunt is het bizar dat wij nog steeds geen wereldwijd basisinkomen hebben vormgegeven. Daar is maar één reden voor: de meeste van ons kunnen, willen, durven geen geloof te hechten aan het idee dat zij zo maar, zonder enige voorwaarde, verplichting of afrekening mogen leven. Het basisinkomen is dus vanuit mijn perspectief een kwestie van geloven en van daar uit ethisch handelen. Of geloof je niet dat jouw belang, ieders belang is?

    Like

  2. Als fanatiek voorstander van een OBi ga ik graag in op het artikel.
    Het eerste niveau
    Ook voor luck egalitairians gelden De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die op 10 december 1948 door de Verenigde Naties werd uitgevaardigd, en stelt in artikel 25: “Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten,” Bovendien verklaart de Grondwet in het eerste lid van artikel 20 van Hoofdstuk 1 tot grondrecht: “De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg van de overheid.”
    Het tweede niveau
    Een OBi brengt die rechten voor elk individu in praktijk.
    Ik zie dan ook niet dat een dergelijk systeem te individualistisch is waardoor de onderlinge solidariteit en de ‘participatiesamenleving’ onder druk zou komen te staan. Het tegendeel is het geval: de rijken zullen naar draagkracht moeten meebetalen aan het OBi waarmee ze zich (weliswaar gedwongen) solidair verklaren met de armen. Op deze wijze wordt de ‘participatiesamenleving’ gestimuleerd. Het argument van “wederkerigheid” pleit m.i. juist vóór een OBi. Men zal zich juist door de ontvangst van een OBI lid van de samenleving voelen en zich ervoor willen inzetten! In de huidige situatie voelt men zich een paria die dwangarbeid moet verrichten, gesanctioneerd door strafmaatregelen.
    Het derde niveau
    De werkloosheid zal door een OBi afnemen. De noodzaak van werk om aan geld te komen wordt immers minder. Ook armoede zal verdwijnen. De gigantische kosten van zowel werkloosheid als armoedebestrijding in de huidige samenleving vervallen. Tel uit je winst!
    Dat mensen lui worden van een OBi is een fabeltje. Professor Guy Standing beweert zelfs ‘dat uit experimenten met basisinkomens blijkt dat het ze juist ondernemender maakt, omdat mensen geen tijd en energie meer kwijt zijn om in hun eerste levensbehoeften te voorzien.‘
    Het tegenargument dat een OBi de arbeidsparticipatie omlaag brengt lijkt me onjuist. Immers: het OBi voorkomt de “armoedeval” zodat werk direct leidt tot meer inkomen. Overigens: er is werkloosheid, dus waarom zou het überhaupt de arbeidsparticipatie omlaag brengen? Integendeel: Het zal leiden tot een betere werkverdeling. Dat mensen en financiële prikkel nodig hebben om te gaan werken weiger ik te geloven. De praktijk wijst anders uit. Bovendien is een OBi – in mijn visie – hoog genoeg voor een onbekommerd bestaan, zodat armoede niet meer voor zal komen.
    Het vierde niveau
    Het argument dat een basisinkomen onbetaalbaar zou zijn, zeker in tijden van crisis, wil er niet in bij Guy Standing: ‘De Nederlandse staat schenkt bijvoorbeeld omvangrijke belastingvoordelen aan huizenbezitters en aan bedrijven. Dat staten zich geen basisinkomen kunnen veroorloven is onzin – het ligt er alleen maar aan waar je je prioriteiten legt,’ aldus de medeoprichter van Basic Income Earth Network (BIEN) in De Volokskrant van 16 maart 2013.
    ‘In hoeverre is het realistisch om een basisinkomen in te voeren dat slechts is voorbehouden aan nationale burgers, terwijl het vrijverkeer van werknemers binnen de Europese Unie en de onrusten buiten Europa garant staan voor een constante instroom van niet-burgers?’ wordt gevraagd. Naar mijn mening moet het OBi voorbehouden blijven aan de eigen burgers, omdat een basisinkomen voor buitenlandse werklieden behoort tot de zorg van hun eigen land. Bij immigranten zou een termijn kunnen worden gesteld (De Basis Inkomen Partij noemt 18 jaar), waarna men – eventueel getrapt – een OBi verwerft.

    Like

  3. Beste Anja,
    Helder stuk, fijn die opsplitsing in argumentatie niveaus. Ik heb op verschillende punten wat opmerkingen:

    ethisch politieke argumentatie
    Het verbaast me dat je schrijft dat de onderlinge solidariteit en participatiesamenleving onder druk komen te staan. Immers, er ontstaat met een basisinkomen veel meer ruimte voor sociale betrokkenheid, mantelzorg en vrijwilligerswerk. Dat mensen die ruimte ook benutten blijkt uit experimenten met een basisinkomen.
    Je noemt ook het argument van wederkerigheid. Het is waar dat ontvangers van een onvoorwaardelijk basisinkomen niet verplicht zijn om iets aan de samenleving terug te geven. Er ontstaat echter wel veel meer ruimte om dat te doen, en zoals genoemd, blijkt dat veel mensen dat ook doen.

    pragmatische argumentatie
    Hier zijn het vooral de vooroordelen die naar voren komen. Doordat we in een systeem zijn grootgebracht waarbij primair werkt voor geld en een cultuur van ‘wie niet werkt zal niet eten’, is het ook niet onlogisch dat men aanneemt dat mensen niet gaan werken als ze geen overlevingsnoodzaak hebben. Experimenten wijzen uit dat mensen iets minder betaalde arbeid gaan verrichten en meer andere zinvolle activiteiten ondernemen zoals mantelzorg en (langer) studeren.
    Op basis daarvan zou ik redeneren dat er veel mensen wat minder uren zouden gaan maken, en dat er daardoor meer werk vrij komt voor mensen die nu geen werk vinden, maar dolgraag willen. Uit diverse onderzoeken (o.a. van het SCP) blijkt dat 90% van mensen die een uitkering ontvangen dolgraag aan het werk wil, al dan niet onbetaald. De arbeidsparticipatie zou daarmee niet hoeven dalen, en wellicht zelfs stijgen. Dit lijkt me ook een argument dat belangrijker wordt naarmate de robotisering en automatisering inderdaad steeds meer banen van mensen zullen inpikken (zoals verschillende wetenschappers aankondigen, zie op youtube een zeer heldere uitleg: humans need not apply).

    realistische argumentatie
    Een universeel onvoorwaardelijk basisinkomen (voor de hele wereld) zou inderdaad het meest solidair zijn, maar dat ligt voorlopig nog niet in het verschiet… En ja, het blijft lastig om in de huidige (globale) samenleving ethische keuzes te maken. Ik denk dat het van realisme getuigt dat je de verantwoordelijkheid neemt voor het gebied waarover je verantwoordelijkheid hebt. M.a.w., als je als landsbestuur denkt dat het goed is voor je burgers om een basisinkomen in te voeren, moet je dat doen. Zoals elke beleidsmaatregel levert dat problemen, en problemen die je dan zo goed mogelijk moet oplossen. Daarbij kun je een voorbeeldfunctie/inspiratiebron zijn voor andere landen. Zwitserland stemt in 2016 over de invoering van een basisinkomen. Zij zouden een mooie pilot kunnen vormen voor de EU (en de rest van de wereld).

    prijs van arbeid
    Dit is een belangrijk punt. Het minimumloon zou kunnen worden afgeschaft indien mensen kunnen rondkomen van een basisinkomen. Vraag en aanbod bepaalt dan het aanvullende loon en dat lijkt me moreel zeer wenselijk. Een baan die heel erg leuk is om te doen, hoeft minder geld op te leveren. Dit in tegenstelling tot werk dat niemand wil doen, daarvoor zou compensatie rechtvaardig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een hoger loon. Nu doen de mensen die het niet kunnen weigeren voor een hongerloontje het werk dat niemand wil uitvoeren.
    Stel je voor, dat iedereen werk zou doen dat hij/zij echt zou willen doen…! Dat zou een stuk minder zorgkosten opleveren (verminderde stress, burn-out) en meer productiviteit (gemotiveerde mensen werken immers veel efficiënter).

    politieke stromingen
    Interessant dat je pleit voor een andere term dan basisinkomen. Ik ben het met je eens dat het concept past bij alle politieke stromingen. De liberalen lijken in eerste instantie ver weg te staan van het idee, maar een basisinkomen zorgt voor meer individuele vrijheid, een kleinere overheid (minder controles en ambtenaren nodig) en meer ruimte voor ondernemerschap (je kunt altijd terugvallen op een basisinkomen), ontslagbescherming en minimumloon kan worden afgeschaft….
    De term ‘(onvoorwaardelijk) basisinkomen’ dekt wel de lading, heb je een idee voor een alternatief?

    tot slot
    Pragmatische argumenten zijn waardevol, maar nog waardevoller zijn wetenschappelijk verantwoorde experimenten of landen die het invoeren, dat ben ik met je eens. Wat ook zeer zal helpen is als de groep werkelozen blijft groeien. Deze groep is nu nog relatief onzichtbaar omdat veel ‘uitkeringstrekkers’ zich schamen, maar het is niet ondenkbaar dat binnen afzienbare tijd deze situatie onhoudbaar wordt. Je kunt mensen niet blijven dwingen te werken als er geen werk is. En dan moet je een andere oplossing zoeken. Het basisinkomen is een alternatief dat zeer veel verassend positieve (bij)effecten blijkt te tonen.

    Like

  4. Mijn idee is om het zo eenvoudig mogelijk te houden: Een onvoorwaardelijke periodieke betaling aan iedere volwassene, hoog genoeg voor een onbekommerd bestaan. De hoogte van zo’n UBI (of OBi) is naar het schijnt door de EU bepaald op 0,6 maal het modaal inkomen.
    Op 06-08-2014 heb ik via e-mail aan Philippe Van Parijs het volgende geschreven:
    “Ik heb geprobeerd door redenering te komen tot een zo simpel mogelijk model dat zoveel mogelijk kosten bespaart en door iedereen als eerlijk kan worden ervaren.
    Omdat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan zou het UBI, voor personen van 18 jaar en ouder, netto minimaal 0,6 van het modaal inkomen moeten bedragen. Voor personen onder die leeftijd zou een bedrag van 0,06 modaal kunnen volstaan. Overige inkomsten kunnen worden belast met een vlaktaks inkomstenbelasting van bijvoorbeeld 40%. Om inkomensongelijkheid te beperken zou ik bovendien willen pleiten voor een toptaks van 30% over inkomsten boven een grens van 2 maal modaal. In Nederland zou daarbij het huidige ondoelmatige stelsel van uitkeringen en toeslagen kunnen vervallen.
    Een dergelijke eenvoudige structuur zou naar mijn mening kunnen dienen als leidraad voor de invoering van een Europees UBI.
    Ik wil met enkele (Nederlandse) voorbeelden duidelijk maken welke impact het in principe zou hebben op het netto maandinkomen.
    Uitgangspunten zijn: Modaal inkomen op jaarbasis bruto € 34.500, netto € 24.900, een UBI 0,6x modaal en een vlaktaks IB van 40%. Bovendien een topbelasting van 30% op inkomen boven 2x modaal.
    Het overzichtje geeft in de kolom “netto” aan wat er in de huidige situatie netto overblijft van het bruto inkomen in de kolom ervoor. In “netto nw” wat er overblijft na aftrek van 40% IB vlaktaks plus 30% toptaks over inkomen boven 2x modaal. Het “totaal” geeft het inkomen na bijtelling van het UBI. Het verschil tussen “totaal” (situatie met UBI) en “netto” (huidige situatie) is in de laatste kolom (“meer”) vermeld.
    Maandinkomen bruto netto netto nw UBI totaal meer
    Modaal 2.875 2.090 1.725 1.245 2.970 +880
    2x modaal 5.750 3.500 3.450 1.245 4.695 +1.195
    3x modaal 8.625 4.850 4.310 1.245 5.555 +705
    8x modaal 23.000 11.750 8.625 1.245 9.870 -1.880
    Onderbouwing
    Uitgangspunt is dat met het UBI een sober, doch onbekommerd bestaan mogelijk moet zijn. Mocht 06x modaal tekort schieten dan dient het UBI op een hoger bedrag te worden vastgesteld. Of de basiskosten van levensonderhoud moeten verlaagd worden. Als bijvoorbeeld de premie zorgverzekering voor rekening van het rijk wordt genomen zou dat veel werk overbodig maken en voorkomen dat een deel van de premie door wanbetaling verloren gaat.
    De genoemde percentages zijn slechts een suggestie van mij. De vlaktaks IB moet voor iedereen renteaftrek tegen een gelijk percentage (i.c. 40%) opleveren. Het is mijn bedoeling dat de toptaks niet door renteaftrek wordt beïnvloed. Andere dan renteaftrek zou – in mijn visie – niet zijn toegestaan. Deze simpele regels zullen belastingontduiking en ontwijking naar mijn mening bemoeilijken.
    Er kunnen natuurlijk ook nog andere belastinginkomsten worden verkregen. Ik denk aan een belasting op financiële transacties (zgn. Tobin taks) , vermogensopbrengst belasting, winstbelasting, carbon taks (op CO2 uitstoot) of de BOW (belasting op de aan de aarde onttrokken waarde), waar o.a. Leon Segers een lans voor breekt.
    Doordat met een UBI een onbekommerd bestaan mogelijk is kan het huidige ondoelmatige en fraudegevoelige sociale stelsel van uitkeringen en toeslagen komen te vervallen. Dat zal vele miljarden besparen, die van harte welkom zijn bij de financiering van het UBI. Het UBI op de geschetste wijze is simpel en eerlijk.
    De structuur is gemakkelijk te begrijpen: Iedereen ontvangt per maand € 1.245 netto en draagt van elke verdiende euro 4 dubbeltjes af aan de staatskas, terwijl over inkomsten boven € 5.750 nog eens 3 dubbeltjes naar de overheid gaan. Dat laatste is nodig om de inkomensongelijkheid te nivelleren. In de praktijk zullen de belastingpercentages natuurlijk door de politiek worden bepaald.
    Dat laatste geldt natuurlijk ook voor de voorwaarden waaraan men moet voldoen om voor het UBI in aanmerking te komen. Ik denk bijvoorbeeld aan 0,6 modaal van 18 jaar af en voor personen jonger dan 18 jaar 10% van dat bedrag. Ook voor immigranten zullen voorschriften nodig zijn, bijvoorbeeld na 10 jaar inwonend en eventueel verplicht Nederlanderschap.
    De extra koopkracht die er het gevolg van zal zijn zal naar mijn mening de economie sterk stimuleren. Het consumentenvertrouwen keert terug. Mede door de renteaftrek zal de woningmarkt aantrekken. De woningprijzen stijgen weer tot boven het bedrag aan hypotheekschuld, de bouwmarkt veert op, het bedrijfsleven floreert. Kortom: de recessie loopt ten einde.
    Het UBI en het financiële voordeel dat daaruit voortvloeit, zal bijvoorbeeld ook het huiselijk geweld doen afnemen. Het aantal echtscheidingen zal sterk teruglopen. Doordat men minder krap bij kas zit zal ook de criminaliteit aanzienlijk verminderen, hetgeen de kosten van politie en justitie gunstig zal beïnvloeden.”

    Like

  5. Over prikkels om te werken voor geld. Betaald werk zal altijd prikkelen omdat er altijd mensen zijn die willen verdienen naast het OBI. Als er al mensen te vinden zijn die dat niet willen dan lijkt dat mij geen probleem zolang het werk maar wordt gedaan, en gezien het massale aanbod van mensen twijfel ik daar niet aan. En als het werk onaangenaam is en te slecht betaald om werkers aan te trekken dan zal de vrije marktwerking ervoor zorgen dat de betaling omhoog gaat zodat de mensen ja zeggen tegen het werk. Bereken maar gerust door in de prijzen. Dat lijkt mij een gezonde correctie van een misstand van nu.
    Overigens werkt Negatieve Inkomsten Belasting volgens mij ook goed. Zou mooie oplossing zijn in Griekenland, twee vliegen in 1 klap: boost in economie en transparantie in belasting.

    Like

  6. Alle reacties die ik gelezen heb zijn geschreven door mensen die heel goed uit hun woorden komen en dus of hoog opgeleid zijn of intelligent genoeg zijn om op eigen kracht een dergelijke woord- en redeneervaardigheid op te bouwen. De reacties zijn ook nagenoeg allemaal geschreven vanuit de gedachte van een ethisch ought. In die -gesofistikeerde- cultuur wordt nagenoeg altijd heel groot en heel algemeen gedacht. Verlichtingsdenken. Precies daarom blijft Obi nog tientallen jaren een denkmodel en niet meer dan dat. Het lijkt nog te veel op een utopie; en tegen utopieën is erg veel in te brengen.

    Als de Zwitsers een Obi zouden invoeren, wat in een van de bijdragen wordt gesteld, dan zal dat alleen gelden voor mensen die door Zwitserland gedefinieerd zijn als Zwitser. Alleen dat laatste al, het lijkt heel klein, kost heel veel tijd omdat daarvoor een democratisch aangenomen wet moet bestaan. De voorbereiding en aanname daarvan vergt enorm veel tijd en inspanning.

    Bedenk ook dat lang niet iedereen het idee van een Obi omarmt. Veel mensen en dus veel politieke partijen verwerpen het idee, misschien niet eens omdat ze kunnen aantonen dat het onhaalbaar is, maar omdat het indruist tegen hun maatschappelijke opvattingen of misschien alleen maar weerzin opwekt omdat het idee nieuw is.

    Wat ik lees is allemaal heel rationeel maar mensen denken niet rationeel. David Hume schreef ooit: ratio is de slaaf van de emotie. Ik ben van de juistheid van die uitspraak overtuigd. Ik ga dat hier niet “hard” maken maar het lijkt me dat Obi past in een Christelijke traditie en lang niet iedereen is in die traditie opgevoed en/of leeft in een dergelijke traditie.

    In geen van de stukken wordt de financiële haalbaarheid met echte cijfers onderbouwd en dat geeft tegenstanders erg veel munitie. Invoering van een Obi zou kunnen als heel klein, maar dan ook heel klein, wordt begonnen. Per definitie is dat particularistisch en niet algemeen; en dus zal het aanvankelijk vloeken tegen de principes van een Obi. De risico’s daarvan zijn evident.

    Bovendien mag het nooit zo zijn dat invoering van een Obi tot bot utilitarisme leidt, zoals ik dat wel in politieke beslissingen van het huidige kabinet meen te herkennen. Die aanpak zal leiden tot terreur tegen de voorstanders die zich gebruikt voelen en tot terrorisme tegen de tegenstanders.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s