De WAS: een gelijk speelveld voor werkgevers en minimumbescherming voor werknemers

Op 1 juli 2015 treedt de Wet aanpak schijnconstructies (hierna: WAS) gedeeltelijk in werking. De leus “gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats”  vat het idee van de wetgever eigenlijk wel mooi samen.[1] De regering probeert met de WAS oneerlijke concurrentie door het oneigenlijk drukken van  arbeidskosten tegen te gaan.[2] In de memorie van toelichting wordt als voorbeeld genoemd dat werkgevers in toenemende mate arbeidskrachten uit andere Europese lidstaten inzetten die bereid zijn om voor minder dan het minimumloon te werken. Pikant detail is dat verderop in de memorie van toelichting is te lezen dat de inspectie in 2013 ‘slechts’ bij 582 werknemers de betaling onder het wettelijk minimumloon heeft geconstateerd. Onderbetaling door werkgevers leidt er overigens wel toe dat werkgevers die hun arbeidskrachten het minimumloon of cao-loon betalen, concurrentienadeel lijden. Ook werknemers kunnen nadeel ondervinden van het op oneigenlijke wijze drukken van de loonkosten. Enerzijds lopen werknemers aan wie het minimumloon wordt betaald, het risico te worden verdrongen door immigranten die onder het minimumloon werken. Anderzijds kan er binnen de groep immigranten sprake zijn van onderbetaling of uitbuiting.

De WAS neemt als uitgangspunt dat iedereen die in Nederland werkt, recht heeft op het minimumloon of hoger als dat is afgesproken in de individuele arbeidsovereenkomst of is bepaald bij cao.[3] Door het inbouwen van verschillende waarborgen in het huidige systeem wordt getracht het doel te verwezenlijken.

Belangrijke wetswijzigingen zijn:

  • De bedragen op loonstrook moeten uitgebreider gespecificeerd te worden (art. 7:626 BW)
  • Het minimumloon moet giraal worden uitbetaald (art. 7a WML)
  • Verrekening met en inhoudingen op het minimumloon zijn niet langer toegestaan (art. 13 WML)
  • Civielrechtelijke ketenaansprakelijkheid voor het loon wordt uitgebreid (art. 7:616a en 7:616b BW)
  • Inspectiegegevens worden openbaar gemaakt (art. 29b Arbowet, art. 8:8 Atw, art. 15b WAADI, art. 19g WAV)

De wetgever streeft ernaar werknemers de daadwerkelijke beschikking over het minimumloon te geven door werkgevers op te leggen het minimumloon giraal te uitbetalen en verrekeningen van en inhoudingen op het minimumloon te verbieden. Voorschotten op het minimumloon zijn nog wel vatbaar voor verrekening maar dan moeten werkgever en werknemer dan wel vooraf schriftelijk overeenkomen. Verrekeningen van en inhoudingen op het loon zijn wel toegestaan bij loon dat het minimumloon overstijgt. Werkgever en werknemer kunnen wat dat surplus betreft afspreken dat werkgever zaken voor werknemer regelt (bijv. huisvesting, maaltijden, ziektekosten, verzekeringen e.d.) en dat de kosten worden ingehouden op het loon van de werknemer. Ook kan het minimumloon van de werknemer worden aangewend voor vergoeding van de door werkgever ten behoeve van de werknemer gemaakte kosten maar dan moet de werkgever eerst het minimumloon overmaken aan de werknemer die op zijn beurt een bedrag terug overmaakt aan de werkgever.

Het lijkt mij een goede zaak dat de regering loonbetalingen transparanter wil maken en dat de regering vindt dat een werknemer in elk geval over het minimumloon moet beschikken. Hopelijk voorkomt de nieuwe regeling dat werknemers ondoordacht akkoord gaan met allerhande inhoudingen op het loon. De regeling biedt werknemers keuzevrijheid om zaken zelf te regelen en dat lijkt mij een goed uitgangspunt. Daarnaast heeft de wet mogelijk het effect dat er bij werkgevers een grotere incentive bestaat om loonbelasting en socialezekerheidspremies af te dragen nu het minimumloon giraal moet worden betaald. Naar analogie, het feit dat rijscholen lesgeld nog steeds contant in ontvangst mogen nemen en niet verplicht zijn om klanten giraal te laten betalen, vind ik verbazingwekkend. Het lijkt mij voor de fiscus een onmogelijke taak om na te gaan of een rijschool of instructeur zijn inkomsten wel volledig opgeeft.

De WAS breidt ook de civielrechtelijke ketenaansprakelijkheid uit. Als een werknemer arbeid verricht in dienst van een werkgever ter uitvoering van een overeenkomst van opdracht of van aanneming van werk dan biedt artikel 7:616a BW werknemer de mogelijkheid om zijn werknemer en diens opdrachtgever aansprakelijk te stellen voor de voldoening van het verschuldigd loon. In artikel 7:616b BW is een volgtijdelijke aansprakelijkheid neergelegd. Op grond van artikel 7:616b BW kan een werknemer de naast hogere opdrachtgever aansprakelijk stellen. In principe kan een werknemer elke opdrachtgever aansprakelijk stellen maar de werknemer is wel gehouden om de ketenvolorde aan te houden. Dit betekent dat een hogere opdrachtgever alleen aansprakelijk kan worden gesteld als een vordering op grond van artikel 7:616a BW, en het aansprakelijk stellen van de naast lagere opdrachtgever, niet is gelukt. Een opdrachtgever is niet aansprakelijk als hij aannemelijk maakt dat, gezien de omstandigheden van het geval, hem niet verweten kan worden dat het loon niet is betaald gezien. Uit de memorie van toelichting volgt dat een opdrachtgever verschillende acties kan ondernemen om verwijtbaarheid te voorkomen.[4] Voorbeelden zijn 1) een sectorale waarborg van correcte loonbetaling via een certificaat of keurmerk, of 2) het opnemen van contractuele bepalingen in een overeenkomst van opdracht over de naleving van de arbeidsvoorwaarden.

Kullmann merkt terecht op dat het nog maar de vraag is of de ketenaansprakelijkheid onderbetaling van buitenlandse werknemers aan banden  legt.[5] Het initiatief voor het aansprakelijk stellen van de werkgever of opdrachtgever blijft bij de werknemer liggen. Het is maar de vraag of een werknemer die onbekend is met het Nederlandse rechtssysteem de stap zal zetten om zijn werkgever of diens opdrachtgever aansprakelijk te stellen. Het lijkt mij dat voorlichting en bijstand door vakbonden belangrijk is om werknemers over de drempel te helpen om bij wanbetaling een loonvordering in te stellen.

Dan nog een laatste opmerking: de WAS biedt alleen werknemersbescherming. De vraag is of het aantal schijnzelfstandigen zal toenemen door de wet.[6] De stelling van de minister dat de arbeidskosten voor werkgevers gelijk blijven, lijkt mij feitelijk onjuist. Als een werkgever de loonkosten drukt door undercutting en opeens gedwongen wordt om werknemers het minimumloon te betalen, nemen zijn kosten toe. Daarnaast is het lastig te ontkennen dat de administratieve last van werknemers kan toenemen. Het feit dat loonstroken moeten worden aangepast, werknemers niet meer contant uitbetaald kunnen en verrekening van kosten met het minimumloon niet meer kan, brengt kosten voor de werkgever met zich. Het valt dus te bezien of de wet niet tot gevolg heeft dat sommige werkgevers meer gebruik gaan maken van (schijn)zelfstandigen.

Over de auteur:

Eva Grosheide is als promovenda verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

 

[1] Kamerstukken II 2014/15, 34108, 3, p. 3.

[2] Kamerstukken II 2014/15, 34108, 3, p. 1.

[3] Kamerstukken II 2014/15, 34108, 3, p. 2.

[4] Kamerstukken II 2014/15, 34108, 3, p. 25-27 .

[5] M. Kullmann, ‘Verrekening en inhouding Wet MinimumLoon en de bredere arbeidsrechtelijke handhavingsproblematiek’, TAO 2015/1, p. 32.

[6] Kamerstukken I 2014/15, 34108, E, p. 1-2.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s