‘Bonus cap Kapitaalvereistenrichtlijn is geldig’

Door: Marieke ten Broeke (UvA)

Als gevolg van de kredietcrisis in 2008 en het daarmee hand in hand gaande verminderde vertrouwen in de financiële sector, is een groot aantal maatregelen getroffen om dit vertrouwen in en de stabiliteit van de sector te verbeteren.

Excessieve beloningen en de perverse prikkels die daarvan uitgaan worden als een van de voornaamste oorzaken van de crisis gezien. In de Kapitaalvereistenrichtlijn IV (CRD IV) zijn diverse maatregelen opgenomen die dit tegengaan. Zo bepaalt de richtlijn dat de variabele beloning van personen die met hun beroepsactiviteiten invloed hebben op het risicoprofiel van de financiële instelling waarvoor zij werken (identified staff) in beginsel niet meer dan 100 % van hun basisloon mag bedragen. Deze verhouding kan door de lidstaten onder bepaalde voorwaarden worden verhoogd tot 200 %, maar kan ook lager worden vastgesteld. Ook geldt op grond van de richtlijn een openbaarmakingsverplichting voor financiële instellingen wanneer de bonus cap wordt overschreden en het aantal mensen voor wie die overschrijding geldt.

14802482_s

Het Verenigd Koninkrijk heeft bij het Hof van Justitie een beroep ingesteld tot nietigverklaring van – onder andere – deze bepalingen. Volgens het Verenigd Koningkijk mochten de bepalingen niet worden vastgesteld op basis van art. 53, lid 1 VWEU (vrijheid van vestiging en dienstverrichting, anders dan in loondienst). Zij betreffen volgens het Verenigd Koninkrijk het reguleren van loon, waarvoor de lidstaten op grond van art. 153, lid 5 VWEU bevoegd zijn. Bovendien, zo stelt het Verenigd Koninkrijk , zijn de bepalingen in strijd met de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit en is de openbaarmakingsverplichting in strijd met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en met de regels betreffende gegevensbescherming. Door de richtlijn zou het verantwoordelijkheidsgevoel binnen de sector juist worden ondermijnd in plaats van verbeterd.

De A-G oordeelt met betrekking tot de stelling dat de richtlijn op een onjuiste rechtsgrondslag is gebaseerd dat het Hof van Justitie eerder al oordeelde dat maatregelen die een harmonische ontwikkeling van de werkzaamheden van kredietinstellingen in de gehele Europese Unie beogen te bevorderen door beperkingen van vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten weg te nemen en tegelijk de stabiliteit van het bankwezen en de bescherming van spaarders te verhogen, mogen worden vastgesteld op basis van art. 53, lid 1 VWEU. Variabele beloningen hebben volgens de A-G rechtstreeks invloed op het risicoprofiel van financiële instellingen en kunnen daarmee gevolgen hebben voor de stabiliteit van financiële instellingen en markten van de Europese Unie.

Het bepalen van een bepaalde verhouding tussen het vaste loon en het variabele gedeelte staat volgens de A-G niet gelijk aan het opleggen van een ‘bonusplafond voor bankbonussen’. Er wordt immers geen maximum gesteld aan het basissalaris en dus ook niet aan het totale beloningsniveau.

Ten aanzien van de openbaarmakingsverplichting stelt de A-G dat het opleggen van een openbaarmaking een discretionaire bevoegdheid is van de lidstaten. Bij het opvragen zijn de lidstaten gebonden aan EU-regelgeving omtrent gegevensbescherming.

De bepalingen zijn leveren volgens de A-G geen strijd op met het evenredigheids- en subsidiariteitsbeginsel, omdat het doel ervan – het creëren van een uniform regelgevingskader voor risicobeheer – niet beter had kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten zelf.

Ook in Nederland houdt het bonusplafond – of: de bonusverhouding – de gemoederen bezig. In het Wetsvoorstel beloningsbeleid financiële ondernemingen is een maximumpercentage van 20 % procent opgenomen, een percentage dat substantieel lager is dan dat in CRD IV. Bovendien geldt dit niet alleen voor identified staff, maar voor alle werknemers van een financiële onderneming. Vanuit verschillende hoeken wordt betoogd dat de Nederlandse wetgever hiermee in onevenredige mate afwijkt van de bepalingen in de richtlijn. Het immer terugkerende kernargument hierbij is dat de voorgestelde regels de concurrentiepositie van Nederland zouden verstoren.

De discussie omtrent de bonus cap is te plaatsen in de paradoxale problematiek die speelt omtrent toezicht en regulering. In tijden van crises en incidenten hoort men de roep van de maatschappij tot striktere regelgeving, zodat herhaling hiervan voorkomen wordt. Wanneer de buien zijn overgewaaid en het een tijdje mooi weer is ontstaat de wens om meer vrijheid te krijgen en te geven. Het vinden van een juiste balans tussen deze twee tegenstellingen zal binnen een complexe sector als de financiële nog heel wat voeten in de aarde hebben.

Over de auteur:3a6012a

Marieke ten Broeke is werkzaam als promovenda aan de Universiteit van Amsterdam.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s