Moderne slavernij in de kledingindustrie: weglopen is geen oplossing

Door: Beryl ter Haar & Marieke ten Broeke (UvA)

Het instorten van RanaPlaza, een grote kledingfabriek in Bangladesh in april 2013, waarbij meer dan 1100 mensen om het leven kwamen, heeft de discussie over de arbeidsomstandigheden in lagelonenlanden opnieuw aangewakkerd. Westerse kledingmerken als H&M, Primark, Coolcat en Gap kwamen onder druk te staan omdat zij opdrachtgevers zijn van kledingfabrieken die het niet te nauw nemen met mensenrechten. Als gevolg hiervan zijn vele initiatieven in het leven geroepen. Een daarvan is het Bangladesh Veiligheidsakkoord, dat moet zorgen voor verbeteringen op het gebied van veiligheid in de kledingfabrieken van Bangladesh. Een goed begin, maar nog zeker niet het halve werk.

Uit het deze maand verschenen rapport van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO)  en de Landelijke India Werkgroep blijkt nog eens de ernst van de situatie. De onderzoekers hielden interviews met 150 werknemers van vijf spinnerijen in Tamil Nadu, de grootste producent van katoengaren in India. Het overgrote deel van de werknemers bestaat uit tienermeisjes en jonge vrouwen, sommige pas 15 jaar oud, die met valse beloftes van fatsoenlijke banen en een fatsoenlijk loon naar de spinnerijen worden gelokt. Doorgaans woont hun familie ver weg en zijn zij dus helemaal alleen. Ze verblijven in speciaal voor de spinnerij afgehuurde hostels, ver van de bewoonde wereld en met weinig privacy en vertier. Arbeidstijden, vooral de rusttijden, worden in sommige spinnerijen met voeten getreden. Twee pauzes van 5 minuten in een nachtdienst of een lunchpauze van 10 minuten tijdens een dagdienst zijn geen uitzondering. Vaak blijft de dienst niet beperkt tot de standaard 8 uur: overwerk is eerder regel dan uitzondering. Werknemers mogen niet met elkaar praten tijdens het werk, en vrouwen mogen al helemaal niet met mannelijke collega’s praten.

Veel werknemers zijn niet bekend met de gevaren van de werkplaats en het belang van beschermende kleding, als die al voorhanden is. In het geval van de spinnerijen geeft met name het inhaleren van katoenstof een risico op ziekte. De ventilatie die dit tegengaat, en bovendien zou werken tegen de hitte en hoge luchtvochtigheidsgraad, werkt vaak niet. Er zijn geen vakbonden of ondernemingsraden waar werknemers in vertegenwoordigd zijn of andere organen waar ze heen kunnen met klachten.

De laatste jaren is veel aandacht voor de verbetering van omstandigheden bij eindfabrikanten als de fabrieken in RanaPlaza. Dit onderzoek laat zien dat die aandacht er ook moet zijn voor andere onderdelen van de productieketen. Kledingmerken als H&M trekken hun handen af van het probleem door te stellen dat ze de werknemersuitbuitende spinnerijen op een zwarte lijst zetten. Met andere woorden: ze beschermen hun reputatie door weg te lopen van de problemen. Dit is echter niet de oplossing.

Ja, het is voor een kledingmerk niet eenvoudig en misschien zelfs onmogelijk om te controleren hoe het bij alle bedrijven in de productieketen is gesteld met de fundamentele arbeidsrechten en arbeidsomstandigheden. Dit betekent echter niet dat ze niets kunnen doen ter verbetering van de situaties waar ze wel van op de hoogte (kunnen) zijn, met name als het gaat om bedrijven met wie ze veel en regelmatig zaken doen. Juist in deze bedrijven zouden ze moeten investeren. Niet (alleen) met geld, maar vooral ook door met deze bedrijven in gesprek te gaan. Door met hen een vertrouwensrelatie op te bouwen hoeven deze bedrijven geen angst te hebben dat een misstand tot onmiddellijke beëindiging van het contract leidt. Door over de misstanden te praten kan gezamenlijk naar oplossingen worden gezocht. Soms is dat zo eenvoudig als het aangaan van een langere termijn contract tussen het kledingbedrijf en de toeleverancier. Met de zekerheid op langeretermijnwerk, is het niet nodig om opdrachten te overboeken, hoeft er niet excessief te worden overgewerkt om alle deadlines te halen, vinden er minder arbeidsongevallen plaats en kan er een betere kwaliteit aan werk worden geleverd. Een essentieel onderdeel hierin is het stimuleren en ondersteunen van werknemersvertegenwoordiging binnen de bedrijven, zodat (potentiële) problemen tijdig kunnen worden gesignaleerd en aangepakt.

Het zal een langdurig proces zijn, mede door de vele verschillende partijen die een rol spelen – privaat (de werkgevers/bedrijven, werknemers(vertegenwoordigers), non-gouvernementele organisaties zoals schone kleren campagne) en publiek (nationale overheden en internationale organisaties). Alleen met betrokkenheid (engagement), van alle partijen en vooral de kledingmerken, kan dit proces gaande worden gehouden. Met steeds een druppeltje erbij op deze gloeiende plaat ontstaat uiteindelijk een hele bak water.

Op de site van Fair Wear Foundation is een zeer informatief filmpje over dit onderwerp te vinden.

Over de auteurs:

beryl4Beryl ter Haar is als universitair docent verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en houdt zich voornamelijk bezig met Europees en internationaal arbeidsrecht.

3a6012a

Marieke ten Broeke is als promovenda verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Advertisements

Een gedachte over “Moderne slavernij in de kledingindustrie: weglopen is geen oplossing

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s