Een ‘uniformverbod’ voor militairen

Door: Nataschja Hummel (VU)

Eind september ontstond veel ophef over het ‘advies’ van Defensie aan militairen om geen uniform te dragen bij woon/werkverkeer. Dit komt voort uit angst voor aanslagen door jihadisten vanwege de betrokkenheid van Nederland bij de strijd tegen de beweging Islamitische Staat (IS). Critici noemen de voorzorgsmaatregel laf en vinden dat militairen zich niet moeten verstoppen juist nu de dreiging toeneemt. Op het eerste gezicht is dit standpunt begrijpelijk, maar hierbij wordt voorbijgegaan aan de positie van de individuele militaire werknemer. Gekleed in uniform is deze gemakkelijk te herkennen als lid van de krijgsmacht en vormt, zeker in zijn vrije tijd in het openbaar – en ongewapend –, een eenvoudig doelwit voor een kwaadwillende. De twee aanslagen in Canada vorige week, waarbij twee militairen het leven lieten, laten zien dat het ‘advies’ niet zonder grond is. In dit blog wordt stilgestaan bij de achtergronden van het militaire uniform(verbod).

Het militaire uniform

Van alle bedrijfskleding spreekt het militaire uniform waarschijnlijk het meest tot verbeelding. Het straalt orde en discipline uit en geeft via verschillende insignes, zoals rangonderscheidingstekens, uitdrukking aan de hiërarchische structuur van de krijgsmacht. Door het dragen van een uniform wordt de militair herkenbaar als lid van de krijgsmacht. Op deze manier is hij te onderscheiden van de burger bevolking, hetgeen essentieel is voor de toepassing van het humanitair oorlogsrecht in gewapende conflicten. Een militair is verplicht om tijdens diensttijd het voor hem vastgestelde uniform te dragen (art. 134 AMAR). Wanneer de militair buiten diensttijd en militaire plaatsen vrijwillig in uniform gekleed gaat, dan blijft hij vallen onder de werking van het militaire tuchtrecht (art. 3 lid 2 WMT). Gedachte hierachter is dat de militair door het dragen van het uniform de krijgsmacht vertegenwoordigt en zich – ook in privétijd – dienovereenkomstig dient te gedragen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de militair niet ‘nodeloos slordig’ gekleed mag gaan in uniform (art. 38 WMT). Ook kan het roken van een ‘jointje’ in uniform de militair duur komen te staan: volgens het beleid van Defensie rechtvaardigt dit ontslag wegens wangedrag (art. 39 lid 2 onder l AMAR). Militairen zelf associëren hun uniform voornamelijk met beroepstrots. Toch dragen de meeste militairen in Nederland hun uniform tegenwoordig alleen nog maar tijdens diensttijd. In 2008 deed toenmalig staatssecretaris de Vries daarom een oproep voor meer militaire uniformen op straat. In 2011 opperde de PVV zelfs – onder de vlag van patriottisme – om militairen die met weekendverlof gaan, verplicht te laten reizen in uniform. Dit moest leiden tot meer betrokkenheid van de bevolking bij Defensie. Toenmalig minister Hillen vond dit te ver gaan, maar juichte het wel toe wanneer militairen meer in het openbaar lieten zien trots te zijn op hun uniform.

Een ‘uniformverbod’

Tegenover deze pleidooien voor meer zichtbaarheid staat dat het militairen soms juist wordt afgeraden om in uniform over straat te gaan, bijvoorbeeld in 1999 rond de inzet van Nederlandse F16’s boven Kosovo en in 2008 rond de première van de anti-Islamfilm van Geert Wilders (Fitna). Op dit moment ‘adviseert’ Defensie militairen om tot nader order buiten diensttijd in het openbaar geen uniform meer te dragen. De media spreken van een ‘uniformverbod’. Directe aanleiding vormde een videoboodschap van de Nederlandse jihadist Muhajiri Shaam die daarin opriep ‘een stevige daad tegen de Nederlandse overheid te verrichten’ vanwege de deelname van Nederland aan de strijd tegen IS. Volgens een woordvoerder van Defensie werd dit gevolgd door dreigementen die specifiek waren gericht tot militairen. Het ‘advies’ dient dan ook ter bescherming van militairen zelf. Dat een aanval op een individuele (en ongewapende) militair niet ondenkbaar is, valt af te leiden uit de gewelddadige moord in mei 2013 op de Britse militair Lee Rigby door twee jihadisten nabij de militaire basis in de Londonse wijk Woolwich. Oo123fr_8267878_mk de twee aanslagen in Canada vorige week, waarbij twee militairen het leven lieten, illustreren dit. Op 20 oktober werden nabij Montreal twee militairen, waarvan er een gekleed was in uniform, aangereden op een parkeerplaats; een van de twee overleed later aan zijn verwondingen.  Op 22 oktober vormde bij een schietpartij in Ottowa een militair, die de wacht hield bij een oorlogsmonument, het doelwit. Beide aanslagen worden in verband gebracht met de Canadese betrokkenheid bij de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Rechtspositionele gevolgen

De (meeste) Nederlandse militairen merken weinig van het ‘advies’, aangezien zij in hun vrije tijd toch al niet gekleed gingen in uniform. Sommigen hebben er moeite mee en vinden dat ze juist nu het uniform in het openbaar moeten dragen. Vicepremier Asscher toonde hier begrip voor en noemde dit een ‘mooie emotie’. Niet veel later bleek echter dat het ‘advies’ niet vrijblijvend is. Generaal van Middendorp, de commandant der strijdkrachten, heeft duidelijk gemaakt dat het gaat om een ‘opdracht’ en dat militairen die zich hier niet aan houden, hierop worden ‘aangesproken’. Het gaat dus om een dienstbevel; het niet opvolgen levert een tuchtvergrijp op (art. 15 WMT). In het ergste geval kan dit ertoe leiden dat de militair die de opdracht herhaaldelijk overtreedt, wordt ontslagen, bijvoorbeeld wegens wangedrag in de dienst (art. 39 lid 2 onder l AMAR). Overigens maakt het voor de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in ambtenarenzaken, niet uit of een uniform correct wordt gedragen, althans waar het gaat om het gebruik van softdrugs. Het speelt dus geen rol of de kleding van de militair voor burgers als militair uniform herkenbaar is (CRvB 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2020). Een militair die in weerwil van de afgekondigde voorzorgsmaatregel wil laten zien dat hij lid is van de krijgsmacht, simpelweg omdat hij hier trots op is, zal zijn uniform echter niet snel op een incorrecte wijze dragen. Desalniettemin handelt hij in strijd met de militaire discipline, dat zijn uniform nu juist pleegt uit te stralen.

Kritiek

De voorzorgsmaatregel heeft voor veel verontwaardiging gezorgd, ook in het buitenland. Onze krijgsmacht wordt zelfs aangeduid als ‘cream puff corps’. Gesteld wordt dat, in plaats van zich te verstoppen, militairen zich juist moeten laten zien om jihadisten – en angstige burgers –  duidelijk te maken dat we in het Westen niet bang zijn voor terroristen. In zijn bijdrage in het NRC acht kolonel b.d. van Ermel het zorgwekkend dat slechts één jihadstrijder via een enkele oproep kan ingrijpen in de Nederlandse samenleving. In de politiek ageren vooral de rechtse partijen tegen het uniformverbod. ‘Het kabine9034482_st is flink in het buitenland maar capituleert in het binnenland’, aldus Geert Wilders. Bij alle kritiek wordt naar mijn mening voorbijgegaan aan de positie van de militair – als werknemer – die zich op individuele basis en in zijn vrije tijd, dus ongewapend, over straat begeeft. Ervan uitgaande dat de Beveilingsautoriteit (BA) niet zo maar een dergelijke maatregel voorstelt, heeft Defensie als goed werkgever gedaan wat nodig was om de risico’s voor het eigen personeel te beperken. Bovendien is niet gekozen voor een algeheel uniformverbod, maar gaat het slechts om de opdracht om het uniform niet te dragen in het openbaar wanneer dit niet strikt noodzakelijk is voor de dienst. De hiervoor genoemde voorbeelden illustreren dat deze voorzorgsmaatregel niet zonder grond is, ook al ging het niet in alle gevallen om een militair die in zijn vrije tijd het uniform droeg. Het gaat erom dat individuele leden van de krijgsmacht een mogelijk doelwit blijken te zijn voor terroristische aanslagen, waarmee een Staat op relatief eenvoudige wijze in de kern geraakt kan worden. Door de voorzorgsmaatregel wordt het risico verkleind (zij het niet uitgewist). In de (bijzondere) militaire rechtspositie zijn meer regelingen te vinden die (ook) gericht zijn op bescherming van de militair, zoals de verplichting om zich te vaccineren (Wet immunisatie militairen). Deze staan uiteindelijk in dienst van de paraatheid van de krijgsmacht. Daarnaast valt te denken aan de beschermende regels van de Arbeidsomstandighedenwet, die ook gelden voor andere ambtenaren en werknemers in de marktsector. Het uniformverbod is dus geen vreemde eend in de bijt in de militaire rechtspositie. Ook loopt Nederland niet uit de pas ten opzichte van de coalitiepartners in de strijd tegen IS. Volgens berichtgeving in de media hebben landen als Canada, Groot-Brittannië, Frankrijk, België en Australië soortgelijke voorzorgsmaatregelen getroffen; zelfs Amerikaanse militairen wordt geadviseerd om in Europa buiten diensttijd geen uniform te dragen. Wel oogt het paradoxaal dat op het moment dat de dreiging toeneemt, de zichtbaarheid van de krijgsmacht – als ultiem instrument van de Staat – in de eigen samenleving afneemt. Toch ben ik met generaal van Middendorp eens dat we het uniformverbod niet groter moeten maken dan het is.

Over de auteur:

IMG_7364 - kopie

Mr. N. (Nataschja) Hummel is als docent/onderzoeker sociaal recht verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en doet promotieonderzoek naar normalisering van de militaire rechtspositie. Kort gezegd staat hierbij de vraag centraal in hoeverre de publiekrechtelijke aanstelling van militairen vervangen kan worden door een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s